Omtrent alle privilegiën onzer Gilde
------------------------------------------------
De eed van de Gildebroeders van de Sint Pietersgilde van Mazenzele luidt als volgt:

“Ik belove en zweer,
dat ik zal getrouw zijn aan onzen Heiligen Patroon Sint Pieter;
voorders Koning, Hoofdman, Deken en Ouderlingen der Gilde onderdanig te zijn in het onderhouden van alle privilegiën dezer Gilde;
jaarlijks aan mijne Paasplicht voldoen;
voorders schieten om de Koningsvogel ter aarde te brengen
naar mijn uiterste best;
zo moet mij God helpen
en al zijnen Heiligen.”

Wanneer een Gildebroeder deze eed aflegt spitst hij de oren om, ten eerste, mee te zijn met het oud taalgebruik zoals “belove en zweer” en “voorders”, maar vooral om te proberen in te schatten waartoe hij zich verbindt.

Bij de eerste verbintenis “getrouw zijn aan onzen heiligen patroon Sint Pieter” zullen de meeste Gildebroeders zich vermoedelijk niet veel onoverkomelijke dingen voorstellen omdat zij niet verwachten dat ze die mens ooit zullen tegenkomen, behalve dan op zijn altaar in de kerk en in de paardenprocessie in Opwijk. Getrouw zijn aan een houten beeld is vervolgens redelijk gemakkelijk zolang we het laten staan waar het is, er geen brilleken op tekenen of het niet achterlaten na de processie.

De derde verbintenis is die om “jaarlijks aan mijne Paasplicht te voldoen”. Ook die verplichting is redelijk goed te overzien en overigens moeilijk te controleren nu er slechts hier en daar nog een mis gedaan wordt. Overigens zou de controleur dan zelf moeten zien dat hij telkens aanwezig is waar er Gildeleden kunnen opduiken.
De vierde verbintenis is ook simpel: “schieten om de Koningsvogel ter aarde te brengen naar mijn uiterste best”. Wie gaat er immers bewijzen dat iemand dat niet doet?
Onderhavig document handelt voornamelijk over de tweede verbintenis namelijk om “Koning, Hoofdman, Deken en Ouderlingen dezer gilde onderdanig te zijn in het onderhouden van alle privilegiën dezer Gilde.” Ik heb daarbij al menige wenkbrauw zien fronsen en af en toe een non verbale “oei” gezien. Wat betekent die zinsnede immers?
Het valt vooreerst op dat niet alle bestuursleden de eer te beurt valt om bij voorrang te waken over het onderhouden van alle privilegiën van onze Gilde. Niet vermeld zijn onder meer de Kapitein, de Griffier, de Knaap, de Schrijver, de Penningmeester, en ook niet de gewezen bestuursleden, gewezen Koning of Deken.

Vervolgens zegt de tekst van de eed dat het niet gaat over zomaar onderdanig te zijn, maar is er een uitdrukkelijke verwijzing naar “het onderhouden van alle privilegiën dezer Gilde”.
Wat zijn nu “alle privilegiën van dezer Gilde?” Om dat te pogen achterhalen ben ik gaan snuisteren in ons archief en kwam terecht in de nevelen der tijden.

Een werk dat die nevelen wat deed optrekken is het boek “Met vliegend vaandel en met slaande trom” van de Heer Alfons Ising. Het geeft enerzijds wat informatie omtrent het ontstaan van de schuttersgilden. Anderzijds hebben we enige twijfel over de juistheid van alles wat in het werk is opgenomen omdat het op pagina 15 een Sint Pietersbeeld toont van de, houdt u vast, “Sint-Sebastiaansgilde” van Mazenzele in plaats van de Sint Pietersgilde.
Hij heeft voorders blijkbaar redelijk wat afgeschreven van andere auteurs. Het is een zwak werk in vergelijking met “Het Manuaal van Peeter Verhasselt” van Flor De Smedt en zijn collega’s.

Daarnaast is er het zeer leerrijk kasboek van onze Gilde dat begint met een uittreksel uit het testament van Adriaen Desmeth van 14 maart 1657 en voorders de jaarlijkse inkomsten en uitgaven vanaf 1680 tot 1819.
Tenslotte zijn er de eigendomsregistraties van de gildeleden-eigenaars van de Dries van 23 maart 1867 tot heden en het kasboek met de jaarlijkse inkomsten en uitgaven van 1900 tot 20 juni 1971.


Eerst volgt nu een woord omtrent de privilegiën van de schuttersgilden, algemeen gesproken, tijdens hun militaire periode.
Bovengenoemde Alfons Ising geeft ons een goede uitleg omtrent de periode van vermoedelijk ontstaan van onze Gilde. Die ligt in de tweede helft van de jaren 1400, zeg maar 1480.
De uitleg hiervoor is dat de schuttersgilden als militaire eenheden ontstaan zijn in de steden rond 1300. Die hebben hun bloei gekend tot 1450 en gingen dan in verval omdat toen al volop zeer goede vuurwapens ontwikkeld waren die een eeuw eerder een eerste keer met succes, maar nog onder primitieve vorm, werden uitgeprobeerd. Omtrent dit alles bestaat er goed en betrouwbaar bronmateriaal.

Omtrent het ontstaan van schuttersgilden als militaire eenheden in de dorpen (zoals Mazenzele), bestaat er geen goed en betrouwbaar bronnenmateriaal. De uitleg om aan te nemen dat ze ontstaan zijn op het einde van de jaren 1400 is dat er toen voor het eerst van huurlegers gebruik werd gemaakt in onze streken. Als die huursoldaten niet vochten of te laat betaald werden maakten ze het ganse land onveilig. Om zich daartegen te verdedigen zijn dan de schuttersgilden op dat platteland ontstaan. Onze gilde moet derhalve in die periode ontstaan zijn. Het is een privilegie om zo oud te zijn. 
Onze Gilde heeft als militaire eenheid dus zeer vermoedelijk niet langer dan 100 jaar bestaan. Tijdens die periode was het niet alleen een schietersgilde (dus recht vooruit op de man richten) maar was ook vermaak en religie een onderdeel van haar activiteit. Zij is na haar militaire periode verder blijven bestaan, zoals menige maar niet alle andere schuttersgilden na het verlies van hun militaire functie, en dat rond hun overblijvende activiteiten, met name vermaak en religie. Onze Sint Pietersgilde is dus al meer dan 400 jaar een schuttersgilde die naar pluimpjes schiet op een staande wip (dus omhoog richten).

Alfons Ising citeert twee schriftelijke bronnen omtrent het ontstaan van de hoofdactiviteit van het schuttersvermaak: de Papegaai of Koningschieting. De eerste bron is een document uit 1332 waar door het OLV Broederschap uit Leuven gesproken wordt over “hoe zij hun feest van de papegaai zullen vieren en dat zij de winnaar koning zullen noemen”. De tweede bron is een oorkonde van 11 jaar later uit 1343 waarin de stad Leuven een toezegging doet van deelname in de kosten van de papegaaischieting.

Samenvattend waren de privilegiën van een schietersgilde uit de stad (algemeen gesproken) uit de militaire periode dus onder meer
• vechten met alles er op en eraan: de stormklok luiden, in gildekledij en met wapens optrekken, vergoeding krijgen van de gemeenschap voor de dienst, voor ontberen van inkomsten, tussenkomst van de gemeenschap in de kosten van de wapens en klederdracht
• koningsschietingen met deelname in de kosten door de gemeenschap
Voor wat onze Gilde betreft (en andere schietersgilden van het platteland) zijn er geen bronnen die het ontstaan van onze Gilde aantonen, en dus ook niet het bestaan van de genoemde privilegiën. Voor het gemak gaan we er van uit dat de privilegiën van een plattelandsgilde vergelijkbaar waren met die van een stadsgilde. Ik neem daarbij mijn dromen voor werkelijkheid vnl mbt het punt waar de gemeenschap de kosten van de koningsschieting op zich nam.
Voor een goed begrip wil ik nog onderlijnen dat een privilegie of voorrecht altijd een keerzijde heeft, een verplichting. Bij het zweren van de eed worden de verplichtingen opgesomd: trouw aan St Pieter, onderdanigheid aan Koning, Hoofdman Deken en Ouderlingen in het onderhouden van alle privilegiën van de Gilde, de paasplicht volbrengen, uiterste best doen om de koningsvogel ter aarde te brengen.  De voorrechten of privilegiën worden algemeen opgesomd en dan nog alleen in een context van onderdanigheid. Wij proberen die privilegiën wat concreter te maken.  

Tijdens de 466 jarige periode van leute en plezier hebben onze gilde en haar leden tal van privilegiën gekend die terug te vinden zijn in de bovengenoemde documentatie van ons archief. Ik breng ze, niet beperkend, onder in drie groepen met een korte vergelijking tussen vroeger en nu:

 

1. Het vermaak vroeger Nu
broederschap x x

Koningschieting
- deelname
- hoge pet voor de koning
- vergoeding voor de koning

x
x
x
x
x
x
gildekledij dragen x x
Deelnemen aan Gildefeesten (eigen en van andere gildes) x x
Deelnemen aan optochten x x
spijs en drank nuttigen van de kas x +/-
Stemmen en zich verkiesbaar stellen x x
     
2. Religieuze    
begrafenis in het bijzijn van de gildebroeders in kledij x x
Jaargetijde voor alle gildebroeders 2de sinksendag x x
Processie: lantaarns en baldakijn dragen x -
Zegening tijdens lof na Koningsschieting met relikwie St Pieter x x
     
     

 

3. Financiën              tot de 20ste eeuw                             vanaf de 20ste eeuw

Lidgeld Toetredingsgeld = éénmalig (boetgeldt genoemd) x (vanaf 1900 jaarlijks
beheren en goedkeuren van
- inkomsten

- Uitgaven
 
verkoop hout, pacht, beleggingen, testamenten, boeten, geen lidgelden voor vermaak: geen belastingen vnl lidgelden

idem behalve registratierecht bij overlijden van een eigenaar van de Dries
Eigenaar Dries gebruiker tot 1867 Vanaf 1867 eigenaars
Eigenaar kunstschatten x x
Vergoeding voor de knaap x -
Eigenaar altaar van Sint Pieter x x
Betalen van boeten x x (opgenomen in Reglement maar is herleid tot folklore)

 In verband met de boetes: de eerste vermelding van “boetgeldt” die ik gevonden heb is “de somme van 3 guldens en 10 stuivers” in het jaar 1771. Dat betekende toen 3,77 % van de totale ontvangsten van 82 gulden en 10 stuivers. Voor de huidige tijd zou dat ongeveer 250 EUR belopen.
28 mei 2007.
Frans Van Rossem
Griffier.

 

 


 

Geschiedenis > Privilegiën der gilde