Video 1ste strofe gildelied


Gildelied
 


Ik heb altijd, van jongs af aan
in ons klein Mazel een wip zien staan,
waar wij de koningsvogel schieten;
wij laten het ons niet verdrieten !
Al om te zien wie koning is. (2 maal).
 


Refrein : 

En en spaart er ons trommel en ons vaandel niet,
laat ze ronken, laat ze zwaa­ien,
spaart ze niet, en spaart ze niet !
Wij mikken steeds naar 't hoogste doel
en dragen diep in ons 't gevoel
van sterk geloof en fier belijden,
zoals het was in oude tijden;
getrouw aan altaar en aan haard ! (2 maal).



Koning, Hoofdman, weest nu verblijd,
toont nu maar uw standvastigheid,
wij zullen van elkaar niet scheiden
voor dat wij naar d'eeuwigheid reizen,
dan dragen wij elkaar naar 't graf. (2 maal).
 


Roept nu maar van de societeit;
wij blijven één, nu en altijd !
Anderen hebben adieu gezeid,
wij zeggen spijt voor wie 't benijdt,
want als de Gilde viert haar feest,
dan is er altijd vreugd geweest !
 


Ook de vrouwkes zijn er weer bij
en stappen mede in de rij;
de Gilde viert maar ééns ten jare,
laat ons dus dansen al te gare,
dat vreugde strale uit ons Gild,
zo hebben d'ouderen het steeds gewild !